IJsland: dag 13

5 januari 2011, 22:01, The Capital Inn, Reykjavik

Een kalm dagje vandaag. Om half tien opgestaan, ontbeten en daarna de auto binnen gedaan. Hoewel we een wieldop verloren waren, heeft men ons verteld dat er geen extra kosten zouden aangerekend worden. Momenteel zijn we dus erg gelukkig met de car rental service van Sad Cars.

Na het emotionele afscheid met de auto zijn we te voet naar Perlan getrokken; gelukkig maar een kleine halve kilometer. Zoals eerder beschreven is Perlan een restaurant / museum / uitzicht punt gebouwd in de belangrijkste warmwatercentrale van Reykjavik. Op de bovenste etage bevindt zich het (prijzig) restaurant; bovendien is de etage gebouwd op een roterend vlak zodat de gasten op twee uur tijd het volledige uitzicht kunnen bezichtigen zonder ook maar één spier te bewegen.

Het restaurant was uiteraard wat te prijzig, dus hielden we het op een middagmaal van een soepje (Heleen nam uiteraard een stukje chocoladetaart als middagmaal) in de (véél goedkopere, doch nog steeds prijzige) cafetaria. De cafetaria, die zich één etage onder het restaurant bevindt, draait helaas niet rond, maar op het terras kan je nog steeds genieten van een prachtig uitzicht op Reykjavik.

Na het soepje terug naar beneden, naar het Saga museum dat zich in één van de waterreservoirs bevindt – het water is er uiteraard uitgehaald. Ook het museum is relatief prijzig (1000 ISK per persoon), maar het is wel leuk om een beeld te krijgen van de IJslandse “geschiedenis” (of toch de sagen die erover overgebleven zijn).

Daarna op naar Reykjavik city, waar we onze kennis van de IJslandse geschiedenis nog wat hebben uitgebreid door het “Reykjavik 871 ± 2 Settlement Museum” (1000 ISK per persoon, 500 ISK voor studenten). Het museum is ondergronds gebouwd rond de overblijfselen van de oudste archeologische vondst van Reykjavik: een huis van minstens vóór 871 ± 2 (na Christus). Deze erg specifieke datum is berekend omdat er asresten van een vulkanische uitbarsting in 871 ± 2 in de muren gevonden zijn; wat betekent dat zij toen al gebouwd waren. De datering van de uitbarsting is dan weer mogelijk geworden doordat dezelfde asresten ook in de het ijs van gletsjers gevonden is. Elk jaar komt er een laagje ijs bij, datering is dus bijna even simpel als het tellen van de jaren van een boom.

Het Settlement museum heeft een heleboel indrukwekkende technische snufjes en is bijzonder interactief, het was dus een erg leuke ervaring voor technische nerds als ik. (Als iemand me kan uitleggen hoe de interactieve tafel op het einde werkt, ik snap het niet!)

Daarna een hamburger in de beste hamburgertent van Reykjavik (of toch volgens mij) naast de Tabasco’s, gevolgd door een dubbele koffie in Prikid, één van de oudste cafés in Reykjavik.

Afsluiten met Indiana Jones op BBC One; en morgen gaan we baden in de Blue Lagoon.

Bewolkt. Geen noorderlicht.

IJsland: dag 12

5 januari 2011, 22:32, The Capital Inn, Reykjavik

Terug naar Reykjavik dan maar. Akranes ligt slechts een 50tal kilometer van Reykjavik, maar je moet wel even door de toltunnel Hvalfjarðargöng (900 ISK) die pas in 1998 opengegaan is. De tunnel zit op z’n diepste punt 165m onder de zeespiegel (spannend!) en is 5,5 km lang. (Je kan ook een omweg nemen, maar het kost praktisch meer benzine; bovendien zijn tunnels de max.)

In Reykjavik aangekomen zijn we eerst even naar het winkelcentrum gegaan omdat Heleen daar een cadeautje voor mij wou kopen (een vikingshelm – zij het eentje van plastiek). Een hapje eten daar en dan op naar ’t centrum van Reykjavik om daar nog wat te toeristen.

Het Reykjavik art museum “Hafnarhus“toont wisselende exposities; een collagecollectie van de IJslandse kunstenaar Érro (een grote fan van Amerikaanse comics), ietwat vreemde werken van de Noorse beeldend kunstenaar Gardar Eide Einarsson (zwart/witte versies van verkeerskegels en andere vreemdigheden) en een héél vreemde opname van meeuwen die visresten verslinden in open zee (Bjarni, IJslands kunstenaar).

Terug naar het hotel, even gerust en – rond half één ’s nachts – op noorderlicht-jacht. We zijn de stad uitgereden op zoek naar een rustig plekje (Reykjavik is wel erg verlicht), maar het enige dat we vonden was een open sterrenhemel met een heleboel vallende sterren. Helaas geen noorderlicht gevonden, hoewel de zonneactiviteit 2 (“low”) zou moeten zijn. Overmorgen wordt 3 (“moderate”) verwacht, laat ons hopen dat we het dan toch eens zien.

Ik wil m’n geld terug als ik niet rap noorderlicht zie.

IJsland: dag 11

3 januari 2011, 22:35, Jeugdherberg Akranes, Akranes

De hoogtepunten van de dag, in 11 puntjes:

  1. De loopies waren niet van Kellogs. Ik ben heel erg teleurgesteld. Ik zal eisen van Kellogs dat zij een patent nemen op “donut cornflakes” en op die manier de heerlijkheid van elke loopie ter wereld garanderen. (Loopies zonder honing of extra suiker zijn geen loopies, stomme IJslanders.)
  2. De 76 gaat langs een hele resem tunnels; een ware sensatie om er door te rijden. Het is schitterend om te zien hoe men hier door de bergen is gegaan. Bovendien heb ik eindelijk een tegenligger moeten kruisen in een één-rijstrook-tunnel!
  3. Dat kleine stukje dat we door het IJslandse binnenland hebben gereden, heeft het gestormd, “gemist”, gesneeuwd en gehageld. De auto is ongelofelijk vuil en ik heb geen idee of we die proper of vuil moeten terugbrengen.
  4. Tijdens het rijden door de mist leek het alsof er geesten over de weg hingen. De wind joeg immers poedersneeuw over de weg, waardoor de weg tot leven leek te komen in een kolkende massa. Even waanden we ons in het hiernamaals, tot een grote truck ons uit onze droom weg trok.
  5. De west-fjorden zijn praktisch onbereikbaar in hevige sneeuwstormen. Ofwel: ik ben een mietje en ik durf niet over half-verharde wegen rijden als de wind de auto bijna weg blaast. (Bovendien was het een hondertal kilometer omrijden, waar ik niet zoveel zin in had; maar in een zomer zal ik er wel erg veel zin in hebben.)
  6. Heleen zegt “Jah! Ik wil” op het bovenstaande “terugkomen in een zomer” en doet dat belachelijke “victory” teken met haar vingers.
  7. Heleen heeft besloten mijn blog niet meer te lezen als ik nog veel over haar schrijf.
  8. Vandaag is de balans gewisseld van “Heleen moet mij geld” naar “ik moet Heleen geld”.
  9. Een IJslands ijsje van minder dan 400 kronen geeft je ongeveer een zillioen liter ijs met snoepjes. Heleen krijgt geen zillioen liter ijs op. (Ik heb een legendarische “hot-dog” gegeten; een must volgens the Lonely Planet. Conclusie: ook verkrijgbaar bij Ikea.)
  10. Na een hele week IJslands gebrabbel hebben we, in de buurt van Reykjavik, de Engelse radiozender “BBC International” gevonden op de FM band.
  11. We zijn, alweer, de enige mensen in het hotel / jeugdherberg. Bovendien lijkt geen enkele IJslander te zien dat wij geen IJslanders zijn en begint iedereen in dat vreemd IJslands gebrabbel tegen ons. Hallo-ho, wij zijn toeristen! Kennelijk hebben ze zo niet zo veel in de winter.

Ps.: Heleen vindt het hier super-gigantisch-mooi en blijft het zeggen… opnieuw en opnieuw en opnieuw… (Ook wel: “mooi”, “ohzo mooi”, “ooh, mooi”, “pio, mooi”, “pio, ’t is hier fantastisch”, “ik ben zo blij dat ik hier ben”, “ik wil hier blijven”, “ha, ’t is hier irritant mooi”)

Nee-hee, geen noorderlicht. Ze zijn met onze voeten aan ’t rammelen.

IJsland: dag 10

3 januari 2011, 01:05, Fosshotel Dalvík, Dalvík

Elanden zijn ongelofelijk domme wezens. In paniek liep er vandaag één in de richting van onze (aan 90km per uur) aanstormende auto, in de linker berm. Uiteraard ging ik op de rem staan om dat gevaarte wat dichter te bekijken, springt dat stomme beest toch wel niet voor de auto zeker?!

Gelukkig kon ik nog net op tijd stoppen (of kon de eland net op tijd de overkant van de weg bereiken), maar het was toch even spannend.

Vandaag ging de tocht richting Akureyri, IJslands tweede grootste stad (na Reykjavik). In het heenrijden zijn we langs het meer Mývatn gereden, dat ontstaan is door meerdere uitbarstingen van de omringende vulkanen en daardoor een zeer grillige vorm heeft.

Eerst wouden we even stoppen in het Krafla power station omdat dit gelegen is in een actieve vulkaanzone. (Er wordt immers elektriciteit doormiddel van geothermisch energie geproduceerd.) Na lang omrijden en verdwalen zijn we er dan toch geraakt, maar het was niet helemaal het avontuurlijke tafereel dat in the Lonely Planet beschreven stond. We konden niet veel meer zien dan de fabriek zelf.

Verder rijden naar Akureyri dan maar. Akureyri is echt wel een indrukwekkende stad (als je zo lang tussen dorpen gereden hebt). Ik moest er immers zelfs wachten om iemand zijn voorrang te geven en er staan zelfs verkeerslichten! Gezien het weinig eten de laatste dagen zijn we meteen op zoek gegaan naar een leuk restaurantje.

Het spijt me, beste lezer. Ik heb u ongetwijfeld zeer teleurgesteld. Het is natuurlijk waar dat IJsland onder sterke internationale druk staat omdat het geen verbod op de walvissenjacht inlast. Maar gezien die druk steeds groter wordt moest ik het toch één keer proeven? En om eerlijk te zijn, het smaakte echt wel lekker; maar wegens morele redenen zal ik hier schrijven dat het niet te eten was. Of beter, ik zal toegeven dat het vlees écht wel lekker was. Op die manier weet u dat ook alweer en moet u het niet zelf proeven.

Toen we lekker gegeten hadden (en Heleen als dessert nog een stukje cake gekocht had) reden we verder naar het kleine stadje Dalvík, ten noorden van Akureyri. Het was even zoeken om de weg te vinden, gezien je eerst een heel stuk de weg naar Reykjavik (dat in het oosten ligt!) moet volgen voor de eerste wegwijzers naar Dalvík staan. Maar eenmaal op de juiste weg is het, zoals alle IJslandse wegen, een spannende, donkere, onverlichte weg waar een kleine fout fataal kan zijn voor lijf en auto.

Wat ik erg leuk vind op IJslandse wegen is dat je praktisch nooit vanzelf voorbij gestoken wordt. Als iemand je voorbij wilt komt hij “dicht” tegen je rijden en wacht hij tot jij hem het teken geeft om voorbij te mogen (rechter pinker aansteken). Op die manier weet de bestuurder dat (jij denkt dat) het veilig is om voorbij te gaan. Opvallend is dat de meeste auto’s ook effectief op dat signaal wachten en dus niet zomaar voorbij je zoeven.

Ik wil trouwens niet stoefen, maar ik heb gezien dat ze hier in ’t Fosshotel loopies hebben (ook wel “Kellogs Loops” genoemd, maar dat is een minder leuke naam). Met andere woorden: ik eet morgen lekker loopies! Beat that! Wat hou ik toch van loopies, het is mijn favoriete ontbijt! Hun goddelijke smaak brengt plezier in mijn leven! Loopies van kellogs, proef ze nu!

Geen noorderlicht… stomme zon.

IJsland: dag 9

1 januari 2011, 20:34, jeugdherberg Hafaldan, Seyðisfjörður

Prettig nieuw jaar iedereen! Na toch een klein beetje uitgeslapen te hebben, zijn we dan toch maar opgestaan. Als eerste hebben we een balans opgemaakt van het beschikbare eten en hebben we geconstateerd dat dit niet voldoende was om de dag door te komen. Gelukkig zijn echt alle winkels in IJsland gesloten op 1 januari, net zoals de restaurants.

Overlevend op de overschot van gisteren (een zak chips, één broodje, kaas, salami (of kortweg “saucisse” volgens Heleen – stomme Limburgers), een pakje boter, twee pakjes instant soep, een hoop twix’en, vieze snoepjes en vreselijk vies “zonnebloem brood”) zijn we dan maar op pad vertrokken.

Vandaag stond een rondrit doorheen de oost-fjorden op het programma. Van Höfn zijn we doorgereden tot Seyðisfjörður waar we een kamer gereserveerd hadden in de Hafaldan jeugdherberg. Onderweg hebben we nog een tussenstop gemaakt in Neskaupstaður, twee fjorden voor Seyðisfjörður. (Voor de ietwat minder ijverige leerling die ondertussen nog steeds niet opgezocht heeft wat een “fjord” nu eigenlijk is: “Een fjord is een bepaald type inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten.”)

Neskaupstaður is op zich niet zo heel speciaal; het is een klein industriestadje met zo’n 1’500 inwoners. Er is echter wel een gezellig restaurantje genaamd “Fru Lu Lu”, waar Heleen (voornamelijk voor de naam) een hapje wou eten. (De autoradio werd dan ook overstemd door een gillende meis die keer op keer de uitroep “Fru lu lu” bleef uiten. En nog eens. En nog eens. En nog eens. Het is immers zo’n “leuk woord”.)

Het leukste aan Neskaupstaður is echter de rit erheen. Vanuit Eskifjörður moet je langs een bergpas naar de andere kant van de berg. Om niet over de top te moeten is er een 600m lange tunnel geboord, maar de tunnel zelf is slechts geschikt voor één rijstrook; de tunnel is dus slechts breed genoeg voor één voertuig. Om de tweehonderd meter zijn er wel wegverbredingen waar de auto’s elkaar kunnen kruisen, maar het blijft spannend om door zo’n smalle tunnel te moeten rijden.

Eenmaal uit de tunnel moet je nog steeds een zware afdaling doen om bij het stadje aan te komen, wat je, volgens “the Lonely Planet”, een beetje het gevoel geeft alsof je een havik bent die in het dorpje land.

Dankzij de opvallend grote hoeveelheid sneeuw en ijs was deze afdaling nog eens extra spannend. De scherpe bochten en – vooral – de diepe ravijnen vormen een spannend hindernissenparcour op leven en dood. (Dum dum dum….)

Uiteraard was ook “Fru lu lu” gesloten, dus reden we (met een kwade (of volgens haarzelf, “teleurgestelde”) Heleen) verder naar Seyðisfjörður.

Aan de jeugdherberg aangekomen bleek deze gesloten te zijn … tot april. Kennelijk had ik per ongeluk gereserveerd voor het andere hotel van de eigenaars, “The Secret Garden”. Helaas bevond dit andere hotel zich in zuid-Indië en was “even omrijden” geen optie. We hebben echter toch een kamer (én korting) gekregen, evenals een homp overheerlijk notenbrood. Op die manier hebben we dan toch de dag overleefd.

Ik moet ook nog zeggen dat Heleen zegt dat het vandaag “hééééééél mooooi, oooo, zooooo mooooi” was.

En nog steeds geen noorderlicht.