Categories
Reis Schrijfsels Uncategorized

IJsland: dag 7

30 december 2010, 18:51, Svínafell-Öræfum

Ik zit in het donker; Heleen zit al eventjes in haar bed. Het was een vermoeiende dag tussen gletsjers, steen en (onschuldige) water plasjes. Ik luister naar “Wespen op de appeltaart” van Spinvis en voel me een beetje hetzelfde. Zelfreflectie in IJsland; “Ik hoop maar dat ze niet zo droomt als ik.” (Wespen op de appeltaart – Spinvis).

Deze ochtend zijn we van onze boerderij-bedden vertrokken naar Skaftafell, een natuurgebied aan de voet van de Vatnajökull. Het is een nationaal park dat rond de vulkaan (vulkaan! woohoo!) Grímsvötn ligt. We zijn met de auto tot aan het bezoekerscentrum / camping gereden om vanaf daar te voet het park in te trekken.

Ik drink iets genaamd “Malt appelsín” en vind het eigenlijk behoorlijk lekker. Een mengeling van iets bier-achtig met appelsien.

Aan het bezoekerscentrum krijgt men een keuze: ofwel naar Svartifoss (aka “De zwarte waterval”), ofwel naar de gletsjer Skeidarárjökull. Heleen redeneerde “watervallen hebben we al gezien”, dus kozen we om dat fameuze gletsjer-gedoe eens van dichterbij te bekijken.

Tussen het bezoekerscentrum en de gletsjer ligt voor het grootste deel een verhard pad dat makkelijk wandelt. Het stopt echter een heel eind van de gletsjer, wat voor oudere opa’s en oma’s misschien het ideale punt is om van het uitzicht te genieten, maar wij wouden gletsjer voelen en besloten dus verder te gaan.

Helaas was de gletsjer omringd met… water. Daarom zijn we door de grauwe stenen wei getrokken om zo dicht mogelijk bij het gletsjerijs te geraken. Ons pad liep langs steen heuvels en – dalen, maar overal waren er wel onschuldige ijsjes te vermorzelen. En als het dan al niet met de voetjes lukte, vond Heleen wel een steen om met groot lawijt (en jolijt) in ‘t water te kieperen. Helaas vaak zonder enig resultaat.

Een groot uur klimmen, dalen (en vallen) later kwamen we aan het punt waar we de gletsjer bijna konden aaien; zij het niet dat er nog steeds een halfbevroren rivier tussen ons in zat. Gezien we deze maal rond een groot meer moesten wandelen om nog dichterbij te geraken en de zon steeds lager kwam te staan, besloten we terug te keren.

In het bezoekerscentrum hebben we dan maar even opgewarmd, kaartjes gekocht (tegen niemand zeggen, anders is de verrassing eraf!) en naar een documentaire over de Grote Overstroming van 19-en-nog-iets. (Dit stomme boerderij-hotel heeft geen internet! Wat moet ik nu?!)

“Als je luistert naar de wolken, als je luistert naar de wind.” Bijna geen muziek mee, maar dit dus wel. ‘t Leven en ‘t lot zijn hard; “’t Is altijd wat en altijd spijt van al het geld en alle tijd op de onverharde wegen die je naar hier hebben geleid.” (Bagagedrager – Spinvis).

De documentaire liep ten einde en wij dus weer die kou in. Het was ondertussen val-avond aan ‘t worden (zowel letterlijk als figuurlijk, Heleen is inderdaad een aantal keer uitgegleden en bijna de dieperik ingegaan) en we besloten toch nog eens naar die “zwarte waterval” te gaan kijken. Het pad was zowat volledig bedekt met een dun laagje ijs en voldoende hoog om bij ‘t vallen minstens één paar benen te breken, maar het uitzicht dat we van op de top van die berg kregen was fenomenaal.

Svartifoss is inderdaad een zwarte waterval; een witte streep water die van een zwarte berg, volledig met ijs bedekt, naar beneden stort, de dieperik in. Achter ons ging de zon onder, de wolken kleurend in een bovennatuurlijk oranje licht.

Heleen was bang in het donker meer dan twee benen te breken, dus gingen we terug naar de auto. Een klein uurtje later waren we op zoek naar eten, wat we vonden in het tankstation. Nog een half uurtje later zaten we te eten; en nu luister ik naar Spinvis (en drink ik Malt Appelsín) (en rook ik een sigaret) (en zit ik te wachten op het noorderlicht) (en denk ik aan jou).

(En nee, ik zie geen noorderlicht.)

Leave a Reply

Your email address will not be published.